Opvoedstress discrimineert niet
gepubliceerd in de Volkskrant van 28 augustus 2010 onder de titel 'Niet alleen autochtonen zijn met hun kinderen begaan.'

door Marianne Houben
Terecht zet hoogleraar Micha de Winter zijn vraagtekens bij de representativieit van het J/M-onderzoek over de opvoedingsstress bij ouders (‘Samen uit de opvoedingskramp’, de Volkskrant 24 augustus). Hij suggereert echter dat allochtone, laag opgeleide of ‘arme’ ouders minder bezorgd zijn over opvoeding, veiligheid en de school. Ook meent hij dat met allochtone ouders niet zo goed over deze thema’s te praten is. Mijn ervaring is compleet anders.
Feest op de 'Leo'

Met allochtone ouders is heel goed over deze onderwerpen te praten. Op het schoolplein van mijn zoon, een gemengde Amsterdamse basisschool in West, wordt dan ook heel wat afgepraat. En in buurtprojecten waar ik met allochtone moeders spreek is het geen enkel punt om deze thema’s aan te snijden, sterker nog: ze komen er zelf steeds weer mee. Laag of niet opgeleid en analfabeet, arm of rijk, dat maakt weinig uit. Op het schoolplein en tijdens de koffie-ochtend hebben we ontdekt dat de opvoedingsstress bij deze groepen wel degelijk heerst en soms nog wel sterker. Want ouders vinden het vanwege taal- en andere communicatieproblemen vaak lastig om vragen te stellen of hun zorgen te uiten. En die zorgen zijn net zo prangend als bij de ‘witte’ en hoog opgeleide ouders.
Enkele voorbeelden: een West-Afrikaanse alleenstaande bijstandsmoeder met drie zoons loopt wat af – omdat ze nog niet kan fietsen – naar de logopedist en de bibliotheek, om haar zoons te begeleiden. En ze vraagt me: ‘Is er verkeersles op school? Ik vind dat heel belangrijk.’ Een Braziliaans stel dat heel veel huizen schoonmaakt om hun kinderen een goede toekomst te geven, maar daar niet rijk van wordt, vraagt of in de buurt niet een voorleesmiddag kunnen organiseren, omdat het voor veel kinderen niet gewoon is om thuis voorgelezen te worden. Ook vragen ze zich af of het leesniveau van hun haar zoon wel voldoende is, terwijl dat in mijn ogen heel aardig is. Ze hebben ze hem op tekenles gedaan, om ook dát talent te ontwikkelen. Intussen zit hun dochtertje op een andere basisschool, omdat die beter bij haar past en rijden ze tussen twee scholen heen en weer. Twee Marokkaanse moeders zitten in mijn ogen hun kinderen iets teveel te pushen ’s ochtends in de klas, maar tonen daarmee grote betrokkenheid. Niet alleen bij de schoolprestaties, ze helpen ook uitgebreid bij feesten en partijen, niet alleen bij het Suikerfeest, maar ook met Kerstmis. Een andere Marokkaanse moeder maakt zich zorgen, omdat haar zoon een beetje druk wordt gevonden in de klas en vraagt om advies. En in de vrouwenpraatgroep willen allochtone moeders graag het thema puberteit bespreken. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Net zoveel twijfels over de opvoeding en veiligheid.
Waar ik De Winter wel gelijk in geef, is dat het belangrijk dat ouders met elkaar in contact komen. Op ‘onze’ Leonardo da Vinci-school doen we dat al lang en we doen het gewoon zelf. Zonder beleidsplannen en organisaties, maar gewoon door mee te doen bij het organiseren van feesten, samen een koffie-ochtend bezoeken (die door de oudercontactpersoon wordt georganiseerd, wél een nuttig initiatief). Bij het versieren van de kerstboom, lampjes ophangen voor het zomerfeest en limonade schenken voor de sponsorloop heb ik een geweldig netwerk zien ontstaan, met moeders én vaders uit alle windstreken met allerlei opleidingsniveaus. En het heeft ervoor gezorgd dat ouders elkaar durven aan te spreken als ze met vragen en problemen zitten. Dat hebben de ouders grotendeels zelf gedaan, ondersteund door de oudercontactpersoon en school. Geen beleid voor nodig. Gewoon samen aan de slag.